Kunstlokaal.jouwweb.nl
INTRODUKTIE » Design » industriële vormgeving

industriële vormgeving

Toegepaste kunst

 

 
 

Toegepaste kunst of kunstnijverheid is esthetische vormgeving van functionele voorwerpen zoals gebouwen, meubels, kleding, drukwerk en dergelijke. In tegenstelling tot de niet-functionele, autonome uitingen van beeldende kunst hebben ontwerpen van toegepaste kunst ook een praktisch nut, een functie. In toegepaste kunst worden de principes van design en artistieke esthetica toegepast op alledaagse gebruiksvoorwerpen zoals een theepot, auto, affiche of stoel. Naast esthetiek is ook ergonomie een belangrijke pijler in de waardering van het ontwerp.

Toegepaste kunst wordt ook wel "gebruikskunst" of "decoratieve kunst" genoemd. Een andere, wat verouderde term, is "kunstnijverheid". In de Angelsaksische wereld spreekt men van arts and crafts, in Duitsland en Oostenrijk van Kunstgewerbe. Het woord kunstnijverheid is pas midden 19e eeuw in gebruik geraakt. Ook werd eerder al gesproken van kunstindustrie of nijvere kunsten, maar in Nederland bleef het woord kunstnijverheid het meest gebruikelijke

Tot de toegepaste kunsten worden gerekend:

  • architectuur bouwkunde
  • interieurontwerp binnenhuisarchitectuur
  • industriële vormgeving vormgeving van industriële producten (design)
  • fotografie documentaire- en productfotografie
  • grafische vormgeving vormgeving van gebruiksdrukwerk
  • modeontwerp vormgeving van kleding
  • edelsmeedkunst vormgeving van sier- en gebruiksvoorwerpen in edele metalen

Bekende stromingen van toegepaste kunst zijn Jugendstil / Art nouveau, Art deco en Bauhaus.

Industriële vormgeving

 
 
 

Industriële vormgeving, ook wel industrieel ontwerp, productdesign of (industrial) design genoemd, is het ontwikkelen van producten die industriel in massa- of serieproductie worden vervaardigd. Enkele voorbeelden van dergelijke producten zijn de stofzuiger, het koffiezetapparaat, maar ook de rollator, laptoptassen en bureaustoelen.

 

De ontwikkeling van industriële vormgeving was een gevolg van de industriële revolutie toen er overgeschakeld werd van ambachtelijke vervaardiging (elk stuk was uniek) naar serieproductie (elk stuk was identiek zoals door de ontwerper beoogd).

 

Industriële vormgeving is de technische vaardigheid om de vorm en de functie van een voorwerp of product te bepalen. Het is een moeilijke combinatie van esthetische en functionele eigenschappen van het product. Het moet zowel mooi als praktisch bruikbaar zijn; bovendien moet het ook (voor een redelijke prijs) produceerbaar zijn.

Bij industriële vormgeving is er wel altijd sprake van serieproductie, dus niet een eenmalig product. Wat bij een industrieel ontwerp eerst opvalt, is de uitstraling en het uiterlijk van een product. Maar evenzo belangrijk is, voor de ontwerper, dat zijn product gemaakt, verkocht, en gebruikt wordt of kan worden. Bij industrieel ontwerpen komen onderwerpen als productieprocessen, materiaalkeuzes, ergonomie, planning en marketing ter sprake.

Industriële ontwerpers ontwerpen niet alleen nieuwe producten maar proberen ook bestaande producten te verbeteren door nieuwe materialen, vormen of technieken toe te passen. Ze moeten hierbij rekening houden met de wensen en mogelijkheden van de gebruikers en de fabrikant. Bij de vormgeving moet rekening gehouden worden met het smaakgevoel van het publiek en bestaande stijlen en designstromingen.

Ook de fabricage en de verkoop van een product worden betrokken in het ontwerp. Ontwerpers moeten ook rekening houden met de afbouw van een product. Als een product na jarenlang gebruik aan vervanging toe is, moeten de onderdelen rekening houden met afbraak of mogelijk hergebruik (recycling).

Scheiding tussen schone kunsten en toegepaste kunsten

In de Klassieke oudheid was er geen scheiding tussen 'schone kunsten' en 'toegepaste kunsten'. Het Latijnse woord 'ars' betekent oorspronkelijk 'kunde', 'vaardigheid'; kunst en kunde werden niet onderscheiden. Die scheiding is ook een typisch westers verschijnsel, dat zich pas langzaam, na de middeleeuwen, voltrok. In de middeleeuwen zelf was er geen verschil tussen kunstenaar en ambachtsman. Pas in de renaissance begon een zekere scheiding op te treden tussen de scheppende kunstenaar en de uitvoerende ambachtsman. Dit dient evenwel onmiddellijk genuanceerd te worden, want veel kunstenaars waren ook bij de kunstnijverheid betrokken, waar immers hun ontwerpen werden uitgevoerd. Schilders als Albrecht Dürer, Hans Holbein en Rafaël maakten bijvoorbeeld ontwerpen voor gouden voorwerpen, glasschilderingen, interieurdecoraties en wandtapijten. Het was zelfs zo dat veel kunstenaars in Italië hun basisopleiding in een goudsmidatelier kregen. Ook Dürer startte op die manier als leerling goudsmid bij zijn vader. Stilaan begonnen de kunstenaars zich in de renaissance boven de gilden voor handwerkers te verheffen en streefden eenzelfde status na als die van een dichter of geleerde. Een echt 'hiërarchische scheiding kwam echter pas in de 18e eeuw en vooral de 19e eeuw, wat ook door de opkomst van de fabrieksproductie in de hand werd gewerkt. De al eerder genoemde Ruskin veroordeelde deze ontkoppeling van de toegepaste en schone kunsten in heftige bewoordingen. Wat hem tegenstak in de mechanische productie was de foutloze precisie die bij hem levenloos en geestdodend overkwam. De fabrieksarbeider die dit werk moest doen werd zo van zijn creativiteit en spontaniteit beroofd:

"You must either make a tool of the creature, or a man of him. You cannot make both. Men were not intended to work with the accuracy of tools. "

Modernere functionele designstromingen:

  • Biomorfisme 1920-1990, Europa.
  • Modern Scandinavisch design 1960-, Scandinavië.
  • Deconstructie 1973-1979, Frankrijk.
  • Hightech (design) 1978-, Verenigde Staten.
  • Memphis 1982-1988, Italië.

Mensgerichte designstromingen:

  • Designing for people 1950-1955, Frankrijk.
  • Dutch design 1993-, Nederland