Kunstlokaal.jouwweb.nl
INTRODUKTIE » kunstgeschiedenis » Beeldende Kunst » academische kunst

De geschiedenis van onze beschaving en cultuur is begonnen in Griekenland.

Doordat allerlei mensen naar griekenland trokken en zich mengden met de oorspronkelijke bewoners ontstond de Giekse beschaving in Mycene.

Ongeveer 1200 vóór Christus vielen allerlei stammen Griekenland binnen en toen bloeide de architectuur op. Er bestond nooit één centrale besturing; het land bestond uit allerlei stadstaten. Ook de Grieken hadden een meergodendom en elke god had zijn eigen tempel.

 

De Romeinse kunst is de visuele kunst die geproduceerd werd in het antieke Rome en binnen de grenzen van het Imperium Romanum. De voornaamste vormen van Romeinse kunst zijn de architectuur, de schilderkunst, het beeldhouwen en het maken van mozaïeken.

 

De Romeinse kunst is vanaf het ontstaan van Rome beïnvloed door zowel de Etruskische als de Griekse cultuur.

 

 

ingres

Neoclassicisme is een stroming in de kunst waarin opnieuw de vermeende puurheid van de klassieken werd nagestreefd. Men richtte zich dus op de kunst van de oude Grieken en Romeinen. Het gaat om kunst die aan het einde van de 18e eeuw en het begin van de 19e eeuw werd gemaakt.

Waar de grens tussen classicisme en neoclassicisme ligt, is niet altijd even duidelijk. In verschillende landen bestaan er verschillende tradities rondom deze naamgeving. Het classicisme wordt veelal gebruikt voor zeventiende-eeuwse kunstenaars als Nicolas Poussin en Claude Lorrain  Zij lieten zich door de antieke kunst van de Grieken en Romeinen inspireren, zonder die te willen imiteren. Met neoclassicisme omschrijft men het werk van laat-achttiende- en vroeg-negentiende-eeuwse kunstenaars, zoals de Franse schilders Jacques Louis David en Jean Auguste Dominique Ingres, of de beeldhouwers Antonio Canova en Bertel Thorvaldsen. Zij streefden veel sterker naar een getrouwe navolging van de idealen die bij de oude Grieken en Romeinen leefden. In de neoclassicistische architectuur liet men zich sterk inspireren door Griekse en Romeinse bouwwerken, vooral door de klassieke tempels met hun zuilenfronten In Nederland behoren de meeste kerken uit de eerste helft van de 19e eeuw tot de neoclassicistische architectuur.

De neoklassieke stroming kwam op na een tweetal belangrijke archeologische vondsten die de belangstelling voor de oudheid aanwakkerden: de vondst van Pompeii (1748) en die van de steen van Rosetta (1799) en de ontcijfering ervan door Champollion (1822). Het werk van de tekenaars en wetenschappers die Napoleon Bonaparte met zich mee had gebracht naar Egypte, sprak tot de verbeelding van hun tijdgenoten thuis. Een sleutelrol vervulden verder de theoretische geschriften van Johann Joachim Winckelmann. Belangrijkste centrum vanwaar het neoclassicisme zich over Europa en Noord-Amerika verspreidde was Rome.

In de betiteling neoclassicisme klinkt soms ook een waardeoordeel door: kunststijlen die de traditie van de renaissance-kunstenaars

en de klassieke Griekse en Romeinse kunst op respectabele wijze voortzetten, worden vaak classicistisch genoemd, terwijl hun eclectische neoclassicistisch heten.

Academische kunstis een stijl van beeldhouwen en schilderen die ontstond door de invloed van de Europese kunstacademies en universiteiten. De term academische kunst wordt vooral gebruikt in verband met kunst en kunstenaars die gedurende de 19e eeuw onder invloed stonden van de Franse Académie des Beaux-Arts

Gedurende de 19e eeuw was de Europese kunst doordrongen van de invloed van academische kunst en vooral van de Académie des Beaux Arts. Wilden kunstenaars in de Parijse Salons exposeren dan moesten zij zich houden aan de regels van deze academie. De Salons werden gehouden in het Louvre in de Salon d'Apollon en waren destijds de belangrijkste Europese exposities van beeldende kunst. Vanaf 1903 kwam daar de Salon d'Automne bij. De Salons trokken enorme bezoekersaantallen, wel 50.000 bezoekers op een gewone zondag en tot 500.000 over de duur van de expositie, een periode van twee maanden.

Het academisme bleef niet verschoond van kritiek. Een scheldnaam van de Franse academiekunst was 'Art pompier', letterlijk brandweerkunst, een verwijzing naar de net-echt blinkende helmen van de afgebeelde historische helden. Het impressionisme, dat gedurende de 19e eeuw opkwam, stond lijnrecht tegenover de gestileerde, aan regels gebonden, kunst van de academisten. De impressionisten werden veelvuldig door de Salons geweigerd. Naarmate de moderne schilderkunst oprukte en de academisten zich halsstarrig bleven verzetten tegen deze vooruitgang verloren zij tenslotte hun invloed.

Het jaar 1897 wordt genoemd als het jaar van de definitieve nederlaag van de academische kunst. In dit jaar werd in het Musée du Luxembourg alternatieve Salon gehouden waar moderne schilders als Paul Cézanne, Edgar Degas, Édouard Manet en Claude Monet mochten exposeren. Jean-Léon Gérôme, een belangrijke vertegenwoordiger van de academische kunst en professor aan de École des Beaux-Arts dreigde zijn functie neer te leggen als de werken zouden worden geëxposeerd. Hij waarschuwde zelfs voor de “ondergang van de Franse natie”, maar 38 van de 67 schilderijen werden toch tot de tentoonstelling toegelaten.