Kunstlokaal.jouwweb.nl
INTRODUKTIE » kunstgeschiedenis » architectuur » functioneel bouwen

functioneel bouwen

Postmodernisme

 
 
 
 
 
 
 
 

Postmodernisme is een aanduiding voor een verzameling bouwstijlen die na circa 1960 ontstonden als een reactie op met name de Internationale Stijl en het Modernisme.

Deze laatste stijlen kenmerken zich door zeer strakke, functionele ontwerpen, zonder ornamenten, hetgeen volgens critici leidde tot een zekere mate van gelijkvormigheid.

Postmoderne architectuur kenmerkt zich dan ook door vrije vormen, fantasievolle detailleringen en verwijzingen naar het verleden. Het postmodernisme is sinds de jaren '80 sterk in opkomst en neemt in de hedendaagse architectuur een belangrijke plaats in.

Het postmodernisme is in de eerste plaats een tegenreactie op de moderne architectuur die met principes als form follows function was ontdaan van versieringen, details en lokale trekken.

Deze architectuur werd door de critici graag weggezet als saai en kaal.

Modernisten braken bewust met de tradities van de bouwkunst, zij wilden uit het niets een nieuwe architectuur creëren. De postmodernisten willen de continuïteit juist oppakken en haken dan ook nadrukkelijk aan bij bouwstijlen uit het verleden.

Postmoderne architecten laten zich graag door historische bouwstijlen inspireren. Oude vormen als zuilen, natuurstenen ornamenten, daklijsten en rondbogen veelvuldig toegepast.

In Zaandam, bekend om z'n houtbouw, zijn zo moderne gebouwen met kunststof planken opgetrokken, die duidelijk refereren aan de houten huisjes uit het verleden. Ook in de kleurstelling wordt de traditie gevolgd: niet langer grauw beton of blauw glas, maar rode baksteen, Zaans groen of typisch pleisterwerk.

Vaak wordt hierbij ook gekeken naar de architectuur in de omgeving van het gebouw.

Vaak worden elementen uit klassieke bouwstijlen (tot de klassieke oudheid toe) in vereenvoudigde en soms vergrote vorm overgenomen, met monumentale effecten

Vrije vormen

Postmodernistische ontwerpen hebben vrije tot zeer vrije vormen, speelse en geavanceerde technologische oplossingen. Postmoderne gebouwen zijn niet alleen functioneel, ze moeten ook mooi zijn. Postmoderne architecten proberen de toeschouwer te verrassen met bijzondere vormen of grijpen juist terug op traditionele schoonheidsidealen als symmetrie.

Soms worden hilarische effecten toegepast, waarbij de architect zichzelf "op de hak neemt". Bij een stijl die als deconstructivisme aangeduid wordt, neemt dit de vorm aan dat het gebouw reeds in verval lijkt te zijn.

 

 

 

Het postmodernisme is een tegenbeweging. Het is dan ook niet verrassend dat er uit de modernistische en functionalistische hoek veel kritiek op postmoderne ontwerpen is gekomen. Vooral het toepassen van klassieke ornamenten werd en wordt door veel architectuurliefhebbers veroordeeld. Wellicht wat te sterk aangezet: de architecten van de Internationale Stijl zullen deze aanpak veroordelen als "knip-en-plakwerk"; postmoderne architecten zullen antwoorden dat de architectuurgeschiedenis een "grabbelton" is waaruit vrijelijk geput kan worden.

Ook de vrije vormen kunnen, zeker in hun extreme vormen, niet ieders goedkeuring wegdragen. De indruk bestaat dat postmodernistische gebouwen niet zonder een zekere dosis humor naar waarde geschat kunnen worden. Postmodernistische ontwerpen zijn volgens critici vaak meer een "statement", een "grap", dan een gebouw voor de eeuwigheid.

Tegenover de critici staan natuurlijk ook liefhebbers van postmoderne architectuur. De traditionele uitstraling van postmoderne gebouwen lijkt aan te slaan bij het grote publiek, dat zich graag met de "ouderwetse" bouwstijlen identificeert. Voor nieuwe projecten in historische binnensteden is het postmodernisme een gewilde stijl, omdat de architectuur aansluiting zoekt bij wat er al staat.

 
 
 Het Nieuwe Bouwen is een internationale verzamelnaam voor verschillende bouwstijlen en radicale stedenbouwkundige vernieuwingen uit de periode 1915 tot circa 1960. Deze stijlen zijn als voorloper te beschouwen van de Internationale Stijl.

De term "Nieuwe Bouwen" is ontstaan in de jaren twintig en wordt gebruikt voor de moderne architectuur die zich in deze periode in Duitsland, Nederland en Frankrijk tot een belangrijke stroming ontwikkelde. Als begin van het Nieuwe Bouwen wordt vaak de Fagusfabriek van Walter Gropius en Adolf Meyer genoemd. De internationale doorbraak van het Nieuwe Bouwen vond plaats na de Tweede Wereldoorlog, met het hoogtepunt in 1960.

De architecten van het Nieuwe Bouwen verwierpen nationale en regionale tradities en pronken en de schijn ophouden. Ze streefden naar een nieuwe, zuivere, vormentaal gebaseerd op eenvoudige, onversierde, volumes. Zuivere stereometrische vormen vrij in de ruimte geplaatst

Kenmerken van het Nieuwe Bouwen

  • Transparantie, ruimte, licht en lucht. Dit werd mede bereikt door het gebruik van moderne materialen en constructiemethoden. In de woningbouw werd het gesloten woonblok vervangen door strokenbouw (aaneengeschakelde woningen, categorie: stedenbouwkunde).

  • Functionaliteit: ook de architectuur wordt bepaald door het materiaal en de constructies van de samenstellende onderdelen.
  • Symmetrie en herhaling: een evenwichtige verhouding van ongelijke delen.
  • Kleurgebruik: niet als versiersel of ornamenteel maar als organisch uitdrukkingsmiddel.
  • Functiescheiding: kenmerkend voor het Nieuwe Bouwen is de scheiding tussen wonen, werken, verkeer en recreatie. Hoe deze vier functies uit elkaar gehouden worden, is goed te zien in de oorspronkelijke opzet van de Bijlmermeer. Elke functie is er op grote schaal maar op zichzelf gepland, als een monocultuurtje, duidelijk apart van iedere andere functie. Het zelfde zien we in wisselende gradaties ook in tal van stadswijken in binnen- en buitenland. De Westelijke Tuinsteden in Amsterdam worden vaak als voorbeeld genoemd. Gevolgen van de functiescheiding zijn: meer verkeer en — volgens berichten in de media, eind januari 2007 — een ongezondere levensstijl, vooral vanwege een gebrek aan lichaamsbeweging, 'uitgelokt' door de manier waarop woningen, winkels en toegankelijke parkeerruimte over de wijken verdeeld zijn.

Meer over functiescheiding: een vijfde afsplitsing ontstond tegen het einde van de twintigste eeuw met de bouw van steeds meer grote, apart gesitueerde winkelcentra, in Frankrijk bekend als 'hypermarché'. Of gaat deze zich in 'mega malls' onder de noemer van 'funshoppen' verder verbinden met de recreatieve functie?

Ook elders ontstond in de afgelopen decennia ingrijpende functiescheiding, bijvoorbeeld door de afsplitsing van research-afdelingen in grote organisaties. Robert Reich beschreef dit kritisch in Scientific American van oktober 1989.

De wijken die gebouwd zijn volgens het concept van het Nieuwe Bouwen, worden enerzijds verguisd en gemeden, en anderzijds geliefd en tomeloos bewonderd. Geliefd vanwege de fantastische speelruimte voor jonge kinderen. Bewonderd om bijvoorbeeld het vele en mooie groen, de schitterende zichtlijnen en de rangschikking van woonblokken. Verguisd en gemeden, omdat ze zo ver van het stadscentrum liggen, als quasi Siberische tochtgaten waar vrienden je niet graag komen opzoeken en vanwege het karakter van 'slaapsteden' waar niets te doen is voor jongvolwassenen. In sommige publicaties wordt er op gewezen dat de functiescheiding zich niet beperkt tot buurten en wijken, maar zich over veel grotere afstanden uitstrekt. Dit wordt vooral zichtbaar in alsmaar groter wordende woon-werkafstanden.

Het blijkt nu dat verwaarlozing van het onderhoud in grote, eenzijdige woonwijken gauw op de loer ligt, vooral wanneer de bevolking minder draagkrachtig is, de privatisering doorgaat en een beetje verkeerd uitpakt. Ook wordt wel gesteld, dat in zulke wijken het ontstaan van sociale verbanden eerder belemmerd dan bevorderd wordt. Sterker nog, de sociale veiligheid blijkt nogal eens problematisch. In een extreme vorm heeft de functiescheiding in Frankrijk geleid tot zeer kwetsbare wijken (Zones Urbaines Sensibles, 'ZUS'), die najaar 2005 indringend in het nieuws kwamen. Voor Bijdendijk was dit aanleiding om fotoreportages te laten maken, die uiteindelijk verschenen in zijn Wonen in wanhoop, een boekje waarin opvallend veel grote 'woonkazernes' te zien zijn.